Astmabehandeling bij kinderen van kinderlongartsen (2e herziening). I. Diagnostiek en preventie
| | Richtlijn van: | Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
| | Soort: | Richtlijn
| | Nummer: | ICPC R96 | | Auteurs: | Duiverman, E.J., Jöbsis, Q., Essen-Zandvliet, E.E.M. van, Aalderen, W.M.C. van en Jongste, J.C. de | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2003; 147(39); 1905-8 | | Extra info: |
- In de diagnostiek van astma zijn anamnese en lichamelijk onderzoek de hoekstenen.
- Bij zuigelingen en peuters kan het een probleem zijn om de juiste diagnose te stellen; het verloop van de klachten in de tijd is dan belangrijk.
- Routinematig laboratoriumonderzoek en röntgenthoraxonderzoek worden ontraden.
- Allergologisch onderzoek kan ook bij kinderen jonger dan 4 jaar zinvol zijn.
- Longfunctieonderzoek kan worden uitgevoerd vanaf de leeftijd van 5 à 6 jaar.
- Niet-invasief onderzoek naar de mate van bronchiale ontsteking kan worden verricht door de fractie stikstofmonoxide in de uitademingslucht te meten.
- Huisstofmijtreductie is een nuttige maatregel ter preventie van astma, bij een aangetoonde sensibilisatie.
- Borstvoeding gedurende de eerste 4-6 maanden kan als preventieve maatregel worden overwogen bij kinderen met een verhoogd risico op het ontwikkelen van astma en allergie.
| | www.ntvg.nl/publicatie/richtlijn-astmabehandeling-bij-kinderen - 13 mrt 2010
|
|
Astmabehandeling bij kinderen van kinderlongartsen (2e herziening). II. Medicamenteuze behandeling
| | Richtlijn van: | Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
| | Soort: | Richtlijn
| | Nummer: | ICPC R96 | | Auteurs: | Duiverman, E.J., Brackel, H.J.L., Merkus, P.J.F.M., Rottier, B.L. en Brand, P.L.P. | | Publicatiedatum: | Tijdschrift voor Geneeskunde 2003; 147(39); 1909-13 | | Extra info: |
- De 2e herziening van de richtlijnen voor de behandeling van astma bij kinderen is grotendeels gebaseerd op de resultaten van vergelijkend wetenschappelijk onderzoek.
- Bij een acute exacerbatie zijn kortwerkende beta2-sympathicomimetica de medicamenten van eerste keuze en deze dienen daarom aan iedere patiënt te worden voorgeschreven.
- Bij de onderhoudsbehandeling van astma zijn inhalatiecorticosteroïden (ICS) de middelen van keuze.
- Niet meer aanbevolen is het starten met een hoge dosis ICS en die afbouwen op geleide van de klachten tot een lagere, nog wel effectieve dosis ('step-down'-benadering), omdat deze strategie niet effectiever is dan therapie met een constante dosis.
- Indien er ondanks onderhoudsbehandeling met ICS klachten persisteren zijn er drie therapeutische opties, in de volgorde: verdubbelen van de ICS-dosis, toevoegen van een langwerkend beta2-sympathicomimeticum en toevoegen van een leukotrieenreceptorantagonist.
| | www.ntvg.nl/publicatie/richtlijn-astmabehandeling-bij-kinderen-305383 - 13 mrt 2010
|
|
|
|
Behandeling van patiënten met chronische nierinsufficiëntie; richtlijn voor internisten
| | Richtlijn van: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTVG)
| | Soort: | Richtlijn
| | Auteurs: | P.M. ter Wee en A.T.M. Jorna
Namens de Kwaliteitscommissie van de Nederlandse Federatie voor Nefrologie, waarvan de leden aan het einde van dit artikel staan vermeld. | | Publicatiedatum: | Nedelands Tijdchrift voor Geneeskunde 2004; 148(15): 719-24 | | www.ntvg.nl/publicatie/behandeling-van-patinten-met-chronische - 10 jan 2009
|
|
Consensus preventie van wiegendood
| | Richtlijn van: | Werkgroep preventie van wiegendood
| | Soort: | Consensus
| | Auteurs: | Velzen-Mol, H.W.M. van, Burgmeijer, R.J.F., Hofkamp, M. en Ouden, A.L. den | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1997; 141(37); 1779-83 | | Extra info: | Wiegendood is het, meestal tijdens een slaapperiode, plotseling en onvoorzien overlijden van een kind in de eerste 2 levensjaren. Voor het getroffen gezin is dit een bijzonder ingrijpende en tragische gebeurtenis. Het is dan ook van groot belang het aantal gevallen van wiegendood terug te dringen. Na een aanvankelijke stijging van de incidentie in de jaren 1972 tot 1987 was er de afgelopen 10 jaren een opvallende daling. Deze fluctuaties worden in verband gebracht met de wijze waarop de baby te slapen wordt gelegd. Vanaf 1970 werd buikligging aangeraden. Sindsdien steeg de incidentie van wiegendood.
Omstreeks 1987 ontstonden steeds sterkere aanwijzingen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen buikligging en wiegendood. Nadat de buikligging officieel was afgeraden zette een sterke daling van de wiegendoodincidentie in.
Inmiddels is ook de betekenis van een groot aantal andere factoren onderkend. Zeker als deze risicofactoren tegelijkertijd optreden, neemt het risico op wiegendood toe. Voor een deel zijn het omgevings- en verzorgingsfactoren die te beïnvloeden zijn. Naast de buik- en zijligging blijken vooral warmtestuwing, onveilig bedmateriaal en roken in aanwezigheid van het kind het risico op wiegendood aanmerkelijk te vergroten. De belangrijkste aanbevelingen van de werkgroep die het consensusrapport over preventie van wiegendood opgesteld heeft, zijn gericht op het vermijden van deze risicofactoren. Om het huidige aantal van ongeveer 50 gevallen van wiegendood per jaar verder terug te dringen is voortgaand onderzoek noodzakelijk. | | www.ntvg.nl/publicatie/consensus-preventie-van-wiegendood - 10 jan 2009
|
|
Consensus sedatie en analgesie door artsen-niet-anesthesiologen
| | Richtlijn van: | Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (CBO)
| | Soort: | Consensus
| | Auteurs: | Knape, J.T.A. en Everdingen, J.J.E. van | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1999; 143(21); 1098-102 | | Extra info: | Voor de sedatie of analgesie bij diagnostische of therapeutische ingrepen die voor patiënten onaangenaam zijn, werden door een werkgroep van het Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (CBO) richtlijnen ontwikkeld voor toepassing door artsen-niet-anesthesiologen. De tekst bevat aanbevelingen met een groot draagvlak binnen 17 wetenschappelijke verenigingen.
Voor het teweegbrengen van sedatie op niveau 3 (patiënt is ontspannen en heeft de ogen gesloten, maar volgt verbale aanwijzingen op) bij grote aantallen patiënten is onvoldoende anesthesiologisch-specialistische mankracht beschikbaar. Sedatie en analgesie met genoemd einddoel kunnen kwalitatief goed door niet-anesthesiologen worden uitgevoerd, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. De voorwaarden betreffen risicoschatting, informatie en toestemming, eisen aan medisch en ondersteunend personeel en materiaal, sedatieprocedures, bewaking, verslaglegging, recovery en nazorg.
De voorkeur van de werkgroep gaat uit naar getitreerde toediening van kleine doses van kortwerkende sedatieve of analgetische middelen. De combinatie van middelen gaat met een hoger risico gepaard. Sedatie en analgesie bij kinderen en patiënten met een verstandelijke handicap is mogelijk, maar verdient bijzondere expertise, gezien hun grotere psychische en lichamelijke kwetsbaarheid.
Ingezonden mededeling: F. Willems,1999; 143(41); 2072. | | www.ntvg.nl/publicatie/consensus-sedatie-en-analgesie-door-art - 10 jan 2009
|
|
De ziekte van Von Hippel-Lindau: protocol voor diagnostiek en periodiek klinisch onderzoek
| | Richtlijn van: | Landelijke VHL-werkgroep
| | Soort: | Protocol
| | Auteurs: | Hes, F.J. en Luijt, R.B. van der | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2000; 144(11); 505-9 | | Extra info: | - De ziekte van Von Hippel-Lindau (VHL) is een autosomaal dominant overervende aandoening met een hoge penetrantie en wordt gekenmerkt door tumoren in verschillende organen.
- De Landelijke VHL-werkgroep heeft, om het beleid van vroege opsporing en behandeling van VHL-patiënten in Nederland te ondersteunen, richtlijnen opgesteld voor DNA-diagnostiek en periodiek onderzoek.
- Bij een positieve familieanamnese kan de diagnose 'VHL' gesteld worden bij een patiënt met een typische VHL-tumor. Ook patiënten met een dergelijke tumor en met een negatieve familieanamnese kunnen de ziekte hebben.
- Door moleculair-genetisch onderzoek van het VHL-gen kan bij vrijwel alle VHL-families de diagnose worden bevestigd. Bij een patiënt bij wie VHL wordt vermoed is er een indicatie voor erfelijkheidsadvisering.
- Voor periodiek klinisch onderzoek komen in aanmerking: dragers van een VHL-kiembaanmutatie; familieleden uit VHL-families waarin geen kiembaanmutatie werd gevonden; familieleden uit VHL-families waarin de kiembaanmutatie bekend is, maar die geen DNA-diagnostiek wensen; patiënten bij wie de diagnose 'VHL' wordt overwogen, maar bij wie geen mutatie werd gevonden. | | www.ntvg.nl/publicatie/de-ziekte-van-von-hippel-lindau-protoco - 10 jan 2009
|
|
Diagnostiek van coeliakie bij kinderen
| | Richtlijn van: | Kindergastro-enterologen
| | Soort: | Richtlijn
| | Auteurs: | Mearin, M.L., Kneepkens, C.M.F. en Houwen, R.H.J. | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1999; 143(9); 451-5 | | Extra info: | - Voor het stellen van de diagnose 'coeliakie' bij kinderen en voor het instellen van een glutenvrij dieet moeten duidelijke histologische veranderingen in het dunnedarmbiopt zijn gevonden. Serologisch onderzoek (antilichamen tegen endomysium en gliadine) heeft slechts oriënterende waarde.
- Bij sterk klinisch vermoeden van coeliakie wordt een dunnedarmbiopsie verricht, ongeacht de uitslag van het serologisch onderzoek. Bij minder uitgesproken verdenking wordt serologisch onderzoek afgewacht; een afwijkende uitslag vereist histologisch onderzoek. Het aantal biopsieën dat moet worden verricht, is veranderd. - Bij een kind jonger dan 2 jaar met bij coeliakie passende klachten en histologische afwijkingen staat coeliakie vast als de klachten verdwijnen tijdens glutenvrij dieet, het dunnedarmbiopt onder glutenvrij dieet sterk verbeterd is en glutenbelasting opnieuw tot histologische afwijkingen leidt.
- Bij een kind ouder dan 2 jaar met bij coeliakie passende klachten en serologische en histologische afwijkingen staat coeliakie vast als tijdens glutenvrij dieet de klachten verdwijnen en de serologische uitslagen sterk verbeteren.
- Bij familiescreening naar coeliakie, bij met coeliakie samenhangende ziekten en bij patiënten met het syndroom van Down staat de diagnose vast als aanvankelijk sprake was van serologische afwijkingen en duidelijke histologische veranderingen, terwijl tijdens glutenvrij dieet de eventuele klachten verdwijnen en zowel het serologische als het histologische beeld sterk verbetert. | | www.ntvg.nl/publicatie/diagnostiek-van-coeliakie-bij-kinderen- - 10 jan 2009
|
|
Hyperbilirubinemie bij gezonde voldragen pasgeborenen
| | Richtlijn van: | Auteurs
| | Soort: | Richtlijn
| | Auteurs: | Fetter, W.P.F., Bor, M. van de, Brand, P.L.P., Kollée, L.A.A., Leeuw, R. de en Nef, J.J.E.M. de | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1997; 141(3); 140-3 | | Extra info: | Bij gezonde voldragen pasgeborenen zonder hemolytische ziekte hangt hyperbilirubinemie niet samen met neurologische, auditieve of cognitieve stoornissen op latere leeftijd. Daarom zijn de nieuwe grenswaarden voor hyperbilirubinemie waarbij nadere diagnostiek en behandeling zijn geïndiceerd hoger dan voorheen.
Ingezonden mededeling: Nabben, F.A.E. 1997;141(10);495-6. | | www.ntvg.nl/publicatie/hyperbilirubinemie-bij-gezonde-voldrage - 10 jan 2009
|
|
Medicamenteuze behandeling van gastro-oesofageale refluxziekte bij zwangeren: consensusrichtlijn van gastro-enterologen en gynaecologen
| | Richtlijn van: | Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en Maag-Darm-Leverartsen (MDL)
| | Soort: | Richtlijn
| | Auteurs: | Weusten, B.L.A.M., Exalto, N. en Otten, M.H. | | Publicatiedatum: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2003; 147(50); 2471-4 | | Extra info: | Samenvatting
- Aanbevolen wordt om zwangeren die last hebben van zuurbranden algemene adviezen en leefregels te geven.
- Bij onvoldoende effect daarvan kunnen antacida of het mucoprotectivum sucralfaat worden voorgeschreven.
- Indien ernstige klachten persisteren, kan een maagzuursecretieremmer worden voorgeschreven; daarbij gaat de voorkeur uit naar de protonpompremmer omeprazol.
- Een schadelijk effect van dit middel op de foetus is onwaarschijnlijk, doch niet uitgesloten. Waar mogelijk verdient het aanbeveling om de prescriptie uit te stellen tot na het eerste trimester. Patiënten die onverwacht zwanger zijn geworden tijdens gebruik van dit middel, kunnen gerustgesteld worden. | | Trefwoorden: | GORZ | | www.ntvg.nl/publicatie/medicamenteuze-behandeling-van-gastro-o - 10 jan 2009
|
|
Nieuwe adviezen bij het vergeten van de anticonceptiepil
| | Richtlijn van: | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG)
| | Soort: | Advies
| | Auteurs: | Boukes, F.S., Wiersma, Tj., Leest, K. de, Helmerhorst, F.M., Picavet, Ch. en Wijden, C.L. van der | | Publicatiedatum: | Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1923-6 | | Extra info: | Wachtwoord nodig | | www.ntvg.nl - 26 okt 2007
|
|
|
|